De heilige eik

Mei 1940

De geur van asch en van seringen

komt in de warme nacht van Mei

beklemmend door het venster dringen,

krimpt terug, en golft opnieuw nabij.

In ’t donker staat achter de oogen

het beeld: seringen in een tuin

naast doode vensters, wreed verbogen

binten van staal en walmend puin.

Alles wat men geen naam kan geven,

het meest het denken, wrang en zoet,

aan wie ons lief zijn, schijnt te leven

in deze geur: een smaak van roet

ligt op de lippen. Hoeveel jaren

gaan langs ons in dit machteloos uur?

Men peilt vertwijfeld wat zij waren

en keert zich dichter naar de muur.

Ida Gerhardt Rotterdam, Mei 1940.